You are here
Phyllonorycter rajella (Linnaeus, 1758)
Vouwmijn aan de onderkant van het blad, meestal in een oksel van een secundaire nerf, onderaan met één duidelijke lengteplooi. Vooral bij de najaarsgeneratie komen verscheidene mijnen op één blad voor.
De rups spint een stevige, grijswitte cocon in die zowel boven- als onderaan aan de mijn wordt vastgesponnen. De zijkanten van de cocon worden met frass bedekt. De pop steekt uit de mijn na het ontpoppen van het imago.
- Een erg gewone soort, vooral in Vlaanderen, die soms talrijk voorkomt.
- Soms meerdere mijnen per blad.
- Ook op de andere inheemse Alnus-soorten, maar het meest op Alnus glutinosa.
Vermeld uit alle provincies van het land, het meest gemeld uit Vlaanderen. De soort kan soms talrijk zijn.
Palaearctisch: Europa, maar niet in het uiterste zuiden, vermeld uit Oekraïne (http://www.gracillariidae.net/species_by_code/PHYLRAJE). Waargenomen in al onze buurlanden.
Twee generaties per jaar: rupsen in mei en in juli; motjes in april-mei en in augustus-september. De pop van de najaarsgeneratie overwintert in de mijn.